tale.fyi

Inhalt▾
Inhalt
  1. TWEE BRIEVEN.
  2. I.
  3. II.
  4. II.
  5. Maand-overzicht.
  6. 9 April, Zondagmorgen.
  7. Afgekeurden.
  8. W.C.-wee.
  9. Reclame-marsch.
  10. III.
  11. Verloven.
  12. Oudjes.
  13. Een moment van ontzetting!
  14. Regendag.
  15. „Voor den dokter”.
  16. Klein viezigheidje.
  17. IV.
  18. „Lolletjes”, en de waardeering ervan.
  19. Zingen.
  20. Meningitis-gevaar.
  21. V.
  22. Over het synthetisch element in de africhting van den recruut.
  23. De „starre blik” en „lijnen”.
  24. VI.
  25. Liefdewerk.
  26. Simon's pudding.
  27. Honorarium.
  28. Gepoetste schoenen.
  29. ONBEWUSTE ZELF-CRITIEK.
  30. VII.
  31. Verlofsherinneringen.
  32. Cullinaire genietingen.
  33. „Geheime”-zaken.
  34. VIII.
  35. Welkom, Collega's!
  36. Uwe manieren.
  37. Boosdoeners.
  38. Toilet.
  39. Mijn eigen bed.
  40. Eten.
  41. IX.
  42. Een oude lotgenoot.
  43. Herinneringen aan een „rot-sersant”.
  44. Feesten.
  45. X.
  46. De militaire groet.
  47. Feestgeschenken.
  48. XI.
  49. Beroeps-risico.
  50. Het vakblad.
  51. Alweer de militaire groet.
  52. TWEEDE GEDEELTE.
  53. TUSSCHENWOORD.
  54. VERVOLG VAN HET DAGBOEK VAN MELIS-STOKE.
  55. I.
  56. Het vertrek naar het „Winterkurort”.
  57. II.
  58. De Aankomst.
  59. Aardappel-practijk.
  60. III.
  61. Reizen en Passen.
  62. De film van Leger en Vloot.
  63. Bazar voor Leger en Vloot.
  64. IV.
  65. Moeilijke Grondbeginselen.
  66. Kè-je niet groete?
  67. Theorie en practijk.
  68. V.
  69. Vorst.
  70. Van een luitenant en een piano.
  71. VI.
  72. Buiten....
  73. Dansen.
  74. Eten.
  75. VII.
  76. De Beestmensch.
  77. Jeugd!...
  78. VIII.
  79. Waar ik woon.
  80. Jubileum-dag.
  81. IX.
  82. De officieren.
  83. De sergeant.
  84. De korporaal.
  85. NASCHRIFT.
  86. Overzicht aangebrachte correcties
Deutsch ▾

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen

Uit het Dagboek van een Landstormplichtige

Melis Stoke

kostenlos · 30.856 Wörter · Hörbuch (3 Std. 32 Min.), gelesen von Bart de Leeuw für LibriVox

Text von Project Gutenberg

scroll mal ↓weiter ↓

(von vorn beginnen)

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.

Een inhoudsopgave ontbreekt in het origineel en is daarom toegevoegd aan begin van het boek.
Een volledig overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

VAN AARDAPPEL-MES
TOT
OFFICIERSDEGEN.

Uit het Dagboek van een Landstormplichtige.

door

„MELIS STOKE”.

Illustraties van I. VAN MENS, HENRI VAN DE VELDE e.a.


AMSTERDAM,
VAN HOLKEMA & WARENDORF.
1917.

GEDRUKT IN „'T KASTEEL VAN AEMSTEL”, AMSTERDAM

OPGEDRAGEN
AAN ALLE OFFICIEREN, DIE WETEN WILLEN
„WAT ER LEEFT IN DEN RECRUUT”.

Inhoudsopgave
Blz.
TWEE BRIEVEN.5
I.5
II.10
UIT HET MILITAIRE DAGBOEK VAN MELIS STOKE.12
KANTTEEKENINGEN VAN EEN LANDSTORMPLICHTIGE.15
I.18
II.23
III.27
IV.34
V.41
VI.46
VII.54
VIII.59
IX.66
X.72
XI.77
TWEEDE GEDEELTE.82
TUSSCHENWOORD.82
VERVOLG VAN HET DAGBOEK VAN MELIS-STOKE.86
I.86
II.90
III.97
IV.103
V.111
VI.119
VII.125
VIII.129
IX.134
NASCHRIFT.139

TWEE BRIEVEN.

I.

VAN MELIS STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, AAN DEN BURGER, DIE HIJ EENMAAL WAS....

Amsterdam, Maart 1916.
Aan den vooravond der inlijving.

Mijn zeer waarde,

Dit is een afscheidsbrief... Alle afscheidsbrieven die geschreven zijn, worden, en zullen worden, zijn in drie categorieën onder te brengen, te weten van stervenden, van zelfmoordenaars en van ter dood veroordeelden. Deze draagt de kenmerken van alle drie die soorten. Men gaat mijn burger-ik vermoorden, ik ga mij daartoe aanmelden, en ik voel de banden verslappen die mij binden aan het burgerlijk deel dezer samenleving.

Deze regelen zijn, door het koelbloedig bewustzijn van den schrijver, van zeer tragischen aard; de eenige vreugde die mij nog wacht, zal zijn, dit schrijven persoonlijk te posten; ik stel mij voor, dit te doen op dezen zelfden vooravond, wellicht ook morgen, onderweg naar het lokaal, waar ik mij te melden heb voor den militairen dienst, waar de duisternissen grijnzen van den persoonlijken ondergang...

Ik kan u het gevoel van physiek ònbehagen, dat mij reeds bij voorbaat bevangen heeft, bezwaarlijk omschrijven, het is me, of ik noodgedwongen toegetreden ben tot een derde-rangs voetbalclub of rooverbende, of dat men mij dwingt, in dienst te treden der stadsreiniging... dien tak van dienst, waarover zindelijke heeren in mooie vertrekken beraadslagen, en waarvan de uitoefening is opgedragen aan kwalijk riekende riool-ledigers...

Over eenige uren, wanneer ik onder den krijgstucht zal staan, zal ik deze dingen niet meer mogen schrijven... ze wellicht niet eens meer gevoelen...; dit is mijn galgemaal aan den disch van gal en bitterheid.

Het ontbreekt mij niet aan goeden wil, of vaderlandsliefde; integendeel!

Maar ik voel mij zoo slecht geprepareerd op het mij wachtende werk; men spreekt mij van dwijlen en zwabberen...

Het schijnt, dat de aankleve van het krijgsbedrijf onvoorwaardelijk ònsmakelijk moet zijn; mijn hemel, ik wil graag exerceeren, ook in den modder, en een geweer afschieten... Maar waarom moet ik mijn kleeren zelf van dien modder reinigen, en dat geweer zelf schoonmaken... Ik wil wel met vieze kerels in één kamer slapen; dat doet men in de bergen ook wel, met zijne gidsen... maar nog nimmer heb ik een Alphenhut behoeven te dwijlen.

Men zegt mij, dat het in zoo'n kazerne aan de minst pretentieuse vormen van bediening ontbreekt; zoo'n kazerne is een énorm groot gebouw, grooter dan welk hôtel ook. Stel u voor... een hôtel zonder één knecht of loopjongen of kamermeisje of schoonmaakster of kellner...

Waarlijk, het duizelt mij... moeten wij dat alles, àlles zèlf doen: schoonmaken, bedienen, boodschappen doen, schoenen poetsen, bedden opmaken...

En dat àl dat werk tezamen zoo een mooien naam heeft: krijgsbedrijf.

Ik word niet alleen soldaat, maar ook knecht, loopjongen, kamermeisje, schoonmaakster en kellner...

Ik moet dat alles worden...; het eenige, wat ik goed kan is schieten, en een beetje schermen... helaas, dat zijn voor een soldaat slechts eigenschappen van secundair belang. Geef mij een raad: moet ik privaatlessen nemen bij Hendrik, den ouden knecht, bij Jo, mijn moeder's kamermeisje, of Sien, mijn moeder's schoonmaakster? Moet ik bij een loopjongen van mijn vader's kantoor en bij een kellner van het Doelen-Hôtel in de leer gaan?

Of zouden mijne aanstaande superieuren mij voldoende kunnen bekwamen in al die vakken?

Gij kunt mij begrijpen, nietwaar? Wij beiden hebben nooit onze lastgevers erkend dan in hen, die wij daartoe zedelijk hoog genoeg schatten; en onze hoogste lastgeefsters waren de gestrengheid onzer eigen beschaving, en onze bewondering voor 't geen schoon en rechtvaardig was.

Wij behoorden tot de gelukkigen, die hunne ruggen niet behoeven te krommen voor onwaardige en baatzuchtige broodheeren.

Nu gaat het toeval mij andere superieuren stellen... wie zullen ze zijn? Zal ik mij moeten voegen naar de luimen van een waanwijzen oud-kappersbediende, of van een jaloerschen kroegen-habitué met botte hersenen...? Zal een minderwaardige patser, in wien ik wellicht mijn meerdere zal moeten erkennen, zich op mij wreken, omdat ik hem voorheen over het ledige hoofd placht te zien?

Dit alles beklemt mij...

Geef mij een wapen, en ik zal vechten tot den laatsten droppel bloed... maar geef mij een dwijl en een emmer zeepsop, en smartelijk zuchtend zal ik terneerzitten... als een lafaard...

Geloof mij en blijf mijner gedenken
MELIS STOKE.

RIJM-KRONYCK.
Mijn Landstormlichting komt op...
De Koningin doet roeren
in 't land de landstormtrom,
en duizend jonge krijgers
verschijnen van alom...
Vaarwel, mijn dier'bre boeken,
mijn kamers en mijn hond,
mijn vrienden en vriendinnen...
Ik staar nog ééns in 't rond,
en streel mijn armen Setter,
en 't liefelijk whisky-stel...
Ge zult mij niet vergeten
of hoonen, is het wel?
De zoete schijn der lampen,
de glimmers in mijn haard,
mijn pijpje en mijn huisjas,
en 't geen er was vergaard
aan wetenschap en schoonheid
in d'eiken boekenschrijn...
het zal m'in twee, drie dagen
zoo vèr en dierbaar zijn.
(Vertroosting aan Melis Stoke van George van Raemdonck)
Mijn prima tennis-racket,
mijn hagelnieuwe fiets,
zal 'k u nog ééns beroeren,
belooft ge mij nog iets?...
Ik ga een brits beslapen,
met òndergoed aan 't lijf,
en bruine boonen eten...
...ik ril terwijl 'k dit schrijf!

* * *

Ach, ware er bloed te plengen
voor Vaderland en Vorst,
dat ware altans sportiever,
dan kwatta, kool en worst.
Ach, waren er nog andere
gevaren in het spel,
dan vlooien, of dan zuchten
in een bedompte cel...
Dàn zoude ik vroolijk juichen,
en 'k had' mijn bajonet
aan den meest blanken slijpsteen
eens extra-scherp gewet...A)
Helaas, het geldt niet vechten,
doch loopen in de pas
met een belachelijk mutsje
en in een grijzen jas...

* * *

De koningin doet roeren
in 't land de landstorm-trom...
'k Ben lichting 1912
en weerbaar... dus ik kom!

A) Als Melis Stoke maar eerst eens afgeëxerceerd is, zal hij begrijpen, dat hij nooit met een slijpsteen aan zijn bajonet mag komen! [Corr.]

deine Stelle wird wiederhergestellt…

der Rest wird geladen…

Als Nächstes lesen

  • GranidaP. C. Hooft
    Prinses Granida raakt tijdens de jacht verdwaald, stopt voor een slok water en ontmoet de herder Daifilo, die op slag verliefd op haar wordt. Hoofts herdersspel is kort en hoofs, zeventiende-eeuwse verzen over liefde en stand, voor lezers die van oud Nederlands houden.
  • Gösta BerlingSelma Lagerlöf
    Gösta Berling, een afgezette predikant met veel te veel charme, sluit zich aan bij de cavaliers die op het landgoed Ekeby in Värmland een jaar lang drinken en dansen. Lagerlöf vertelt het als half wilde legenden over wolven en bevroren meren, dus neem het als een saga.
  • Het portret van Dorian GrayOscar Wilde
    Dorian Gray wenst dat zijn portret oud zou worden in plaats van hijzelf, en Lord Henry, die bijna alleen in epigrammen praat, laat hem maar al te graag zien wat dat zou kunnen betekenen. Het is het grootste deel van de tijd geestig en zwaar geparfumeerd, en wordt dan kil en beangstigend.

—

danke fürs Lesen

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen von Melis Stoke. Der Text ist in den USA gemeinfrei, digitalisiert von den Freiwilligen von Project Gutenberg. Wir liefern ihn aus unserer eigenen Kopie aus.

Gesprochen von Bart de Leeuw für LibriVox, ebenfalls gemeinfrei.

tale.fyi