Así se sentirá leer la historia.
Laatste verzen
texto de Project Gutenberg
baja, porfa ↓continuar ↓
(empezar de nuevo)
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van het gedicht.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel en spellingsverschillen binnen een gedicht zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Daarnaast zijn inspringingfouten ook gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne oranje stippellijn, waarbij via een zwevende pop-up de inspringing in de Brontekst wordt weergegeven.
LAATSTE VERZEN
In deze volledige uitgave van Guido Gezelle’s Dichtwerken verschijnen:
| I. | DICHTOEFENINGEN. |
| II. | KERKHOFBLOMMEN. |
| III. | GEDICHTEN, GEZANGEN, GEBEDEN EN KLEENGEDICHTJES. |
| IV. | LIEDEREN, EERDICHTEN ET RELIQUA. |
| V/VI. | TIJDKRANS. |
| VII/VIII. | RIJMSNOER. |
| IX. | HIAWADHA’S LIED. |
| X. | LAATSTE VERZEN. |
Apart verscheen:
VERZEN, Tweede druk, ing. ƒ 3.90, geb. ƒ 4.50.
GEDICHTEN, samengesteld door Dr. J. A. Nijland, ing. ƒ 1.90, geb. ƒ 2.50, leer ƒ 3.50.
BLOEMLEZING, samengesteld door Dr. J. A. Nijland, Vijfde verbeterde druk, ing. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.
MOTTO-ALBUM, met versieringen van J. de Praetere, geb. in linnen of gebatikt ƒ 1.50, geb. in leer ƒ 1.90.
KLEENGEDICHTJES, Eerste en Tweede bundel à ing. ƒ 0.25. geb. ƒ 0.50.
LAATSTE VERZEN, Derde druk, geb. ƒ 1.90.
GUIDO GEZELLE’S DICHTWERKEN
LAATSTE VERZEN
VIJFDE DRUK
L. J. VEEN—AMSTERDAM
1913
’T ER VIEL ’NE KEER
(Herinnering aan Beethoven’s Septuor.)
het water
’t Er lag ’ne keer een bladtjen op
het water
En vloeien op het bladtje dei
dat water
En vloeien dei het bladtjen op
het water
En wentel-winkelwentelen
in ’t water
Want ’t bladtjen was geworden lijk
het water
Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als
het water
Zoo lijzig en zoo lustig als
het water
Zoo rap was ’t en gezwindig als
het water
Zoo rompelend en zoo rimpelend
als water
Zoo lag ’t gevallen bladtjen op
het water
En m’ ha’ gezeid het bladtjen ende
’et water
’t En was niet ’t een een bladtje en ’t an-
der water
Maar water was het bladtje en ’t blad-
tje water
En ’t viel ne keer een bladtjen op
het water
Als ’t water liep het bladtje liep,
als ’t water
Bleef staan het bladtje stond daar op
het water
En rees het water ’t bladtje rees
en ’t water
En daalde niet of ’t bladtje daalde
en ’t water
En dei niet of het bladtje dei ’t
in ’t water.
Zoo viel der eens een bladtjen op
het water
En blauw was ’t aan den hemel end’
in ’t water
En blauw en blank en groene blonk
het water
En ’t blaadtjen loech en lachen dei
dat water
Maar ’t bladtje en wa’ geen bladtjen neen
en ’t water
En was nie’ meer als ’t bladtjen ook
geen water
Mijn ziele was dat bladtjen; en
dat water
Het klinken van twee harpen wa’
dat water
En blinkend in de blauwte en in
dat water
Zoo lag ik in den Hemel van
dat water
Den blauwen blijden Hemel van
dat water
En ’t viel ne keer een bladtjen op
het water
En ’t lag ne keer een bladtjen op
het water.
Roux St. Leo, 1859.
ONBEVLEKTE VROUWE
ik ben onweerd, eilaas, dat ik uw licht aanschouwe,
zoo lang mij in dit tranendal,
verdoold gelijk een ooi en teenemaal vol zonden,
den waren weg en is gevonden,
o Moedermaagd, die mij tot God geleiden zal.
mijn ziele eilaas den vrede kwijt,
omdat ik, ver van u gebleven,
me in ’s werelds weelden had verblijd;
’t was alles valsch, dat zij beloofden,
en, om hun’ schoon gepinte hoofden,
vol leugens blonk het, vol bedrog;
verfoeide pracht van die u haten,
Maria, ’k wil nu alles laten,
op U alleen betrouwe ik nog!
o Altijd.... enz.
en, ringsom mij, zoo spookten fel
gedaanten, vrij zoo hoog als bergen
en wangedrochten uit de hel;
ik zou vergaan, ik zou verzinken,
ik zou den diepsten grond uitdrinken
des bekers die de ziel vergeeft,
had ik tot U, o altijd goede,
mij niet gewend; die, nimmer moede,
nog helpt die U geloochend heeft.
o Altijd....
die ’s vijands wulpsch geweld ontvliedt,
en is hij; nooit en zal hij rusten,
verwint hij erger vijand niet;
ik ben mijn ergste vijand zelve,
hoe dieper ik mijn hart doordelve,
hoe meer ik vinde dat, onvrij
van alle kwaad, ik ga ten gronde
in eenen poel van rampe en zonde
ach, onbevlekte, bidt voor mij!
o Altijd.... enz.
20/12 1880.
MIJMERINGE
Priez pour ces hommes qui chantent
V. Hugo.
’t is zoo vroeg te sterven;
gefooid! eer de dood
komt ons al bederven.
Gedanst op de blomme:
ons behoort heur glansen!
—Geweend! zoo zeggen zij,
om die lachend dansen!
gij, vroeden, uw gebeden;
de beker is ons
bron van zaligheden!
De teuge en ’t gezang
verzoeten alle pijn.
—Gebeên! zoo zeggen zij,
voor al die zingend zijn.
’t roosken niet gebroken?
Het schoonste, is het niet
tot ’s konings lust ontloken?
Geen koning die bidde
of bedele om een vrouw
—gediend, zoo zeggen zij,
die ’t toekomt, immer trouw!
want de dagen spoeien.
—Geweend! zoo zeggen zij:
’t is troost daar tranen vloeien.
—’t Is valsch, roepen ze,
dat ’t minnen ooit kon geven!
—Gemind! zoo zeggen zij:
daar liefde is, daar is leven!
verdrinkt en, bij ’t genot des vollen bekers,
de liefde gekheid scheldt;
ofwel bij hem die trouw bemint en bidt, te halen?
Op beider voorhoofd hebt gij de antwoord, Heere,
in leesbaar schrift gesteld!
Oostermaand 1846.
D. Joaquim Rubió y Ors.
Guldemaand 1889.
Guido Gezelle.
MOEDERKEN
hiernederwaard,
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
’t en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
alleene.
onweerdig, nooit
die beeltenis
bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.
Kortrijk, 4/5 1891.
SINT JANS VIER
Men maakt hedendaags nog Sint-Jans vier te Kortrijk, te midzomer, op Sint Jan-Baptistendag; men danst en zingt erbij oude volksliederen.
hooge in den hemelstoel
nu zit de zonne
hooge overal.
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
vlerke van ’t zonnewiel,
vliegende vlamme,
vlucht in den hoop!
ziet, hoe heur tonge laait;
ziet, hoe de vlamme bijt,
binnen in ’t hout!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
danst deur de vlammen heen:
danst nu den zomerdans,
gij, gasten, te gaâr!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
dansend den zomerdans,
laat ons een liêken
zingen daartoe!
leutig ons zomervier
sperken en sparken, om-
hooge ten hemel slaan,
en leve Sint Jan
hoe langer
hoe liever,
hoe langer
hoe liever,
ja, leve Sint Jan!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
diepe in den hemel daar,
lonken en linken
naar ons gedans!
Stokken en sterren,
heerdvier en hemelvier,
herten die jong zijt,
al ondereen;
eer wij gaan slapen,
nog eens geroepen nu:
Leve Sint Jan!
hoopt het te gare alhier;
haalt hout en helpt ons
mede, altemaal!
Kortrijk, Febr. 1894.
recuperando tu lugar…
cargando el resto…