This is how the story will feel to read.
Papieren Kinderen
novellen en schetsen
text from Project Gutenberg
scroll plz ↓continue ↓
(start over)
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
De voetnoten zijn naar het eind van het hoofdstuk verplaatst.
Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Uitzondering zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen.
Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.
PAPIEREN KINDEREN
Papieren Kinderen
NOVELLEN EN SCHETSEN
DOOR
JUSTUS VAN MAURIK Jr.
AMSTERDAM
Tj. VAN HOLKEMA
1888
EEN BENEFIET.
EEN BENEFIET.
I.
Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.
Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost.
„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.
Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.
„M’neer thuis?”
„Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis woont?”
„Meneer Hostein!”
„Jawel, die is thuis, maar.....”
„Niet te spreken misschien?”
„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....”
„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.” Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.”
Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten, tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen hing.
Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar boven komen.”
„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over.
Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet, trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten.
restoring your place…
fetching the rest…